Thijs Kramer

Muziek

★HYMNE VOOR VIOOL EN ORKEST -- Cor Kint
CD Marcel Dohmen, viool, Randstedelijk Begeleidings Orkest
o.l.v. Thijs Kramer
Hoestekst van de tweede oplaag.
Cornelis (Cor) Kint (* 9 jan.1890, † 8 juli 1944) woonde en werkte tot 1906 in Enkhuizen, tot 1940 in Amsterdam, en van 1940 tot zijn overlijden in Hilversum. In 1922 huwde hij Jansje (Jenny) Couperus (* 1898 te Bolsward). Kints vootouders woonden al eeuwen in Enkhuizen.
Begonnen als een soort wonderkind was hij vroeg rijp. Van 1-9-1909 tot 1-9-1915 speelde Kint als altist in het Concertgebouworkest onder Mengelberg. Daar maakte hij Mahler (VII, 1909) en Strauss (1915) mee als dirigent van eigen werk, en zat een paar stoelen van Rachmaninoff vandaan toen deze in 1911 zijn Derde Pianoconcert speelde. Van 1911 tot 1922 was hij altist in het mede door hem opgerichte Concertgebouw-Quartet, dat na een jaar onder de beroemd geworden naam Hollandsch Strijkkwartet verder ging. Met uitzondering van de oorlogsjaren, 1914-1918 maakte het tournées door West- en Middeneuropa met inbegrip van Skandinavië en enkele zuidelijke landen. In 1923 verruilde Kint dit reizend bestaan voor een positie als leraar aan het Amsterdamsch Conservatorium voor viool, viola en viola d'amore. Vooral met dit laatste instrument bleef hij solistisch optreden; ook gaf hij in de 30er jaren bij Duitse uitgevers tientallen 18e-eeuwse werken voor viola d'amore uit. In 1912 speelde hij bij het Concertgebouworkest o.l.v. Evert Cornelis een altsolo (in Berlioz' Harold in Italie?). In 1913 voerde hij met hetzelfde orkest o.l.v. Cornelis Dopper zijn eigen "Concert voor Alt-viool en orkest" uit. Hij schreef o.m. twee strijkkwartetten, een suite voor strijkorkest, een blazerskwintet en liederen.
Zijn belangstelling voor het orgel markeerde het hoogtepunt van zijn scheppende leven in de jaren 1913-1917, met grote orgelwerken als de onuitgegeven Grande Sonate (1914) en de gedrukte Fantasie over Een vaste Burg (1915), waarmee hij zijn naam heeft gevestigd, en die altijd repertoire heeft gehouden.
    Ofschoon succesvol in zijn carrière als uitvoerend en scheppend kunstenaar begon het al voor 1920 tot hem door te dringen dat hij als niet-avantgardecomponist niet meetelde in het Nederland van Willem Pijper en Sem Dresden. Maar op de weg van Stravinsky en Schönberg wilde hij niet meegaan. Ook had hij vermoedelijk naar zijn eigen gevoel het einde bereikt van zijn ontwikkeling in het Westerse toonsysteem. In 1921-22 maakte Kint een crisis door. Binnen de traditionele harmonieleer had hij sinds ca. 1912 nieuwe expressiemogelijkheden gevonden, die hem een tijdlang een eigen niche verschaften in het vaderlandse componeren. Over de "prachtige harmonieën" van Kint werd gesproken door de bewonderaars die zijn composities en improvisaties kenden: leerlingen, concertbezoekers en de weinige organisten die zijn Vaste Burg konden spelen. Een groot publiek bereikte hij dus niet.. De overbescheiden componist kreeg zijn Grande Sonate – waarvan het eerste deel de Vaste Burg naar de kroon steekt – niet uitgegeven, ander werk voorzag hij niet eens van een opusnummer en gaf het niet op aan BUMA. – Na 1922 nam zijn produktie sterk af, en de geïnspireerdheid van zijn eerdere werk is eigenlijk alleen nog te vinden in de kleinere orgelwerken Prélude pastoral (1925, nog steeds veel gespeeld) en Fuga over b-a-c-h (1935, in 2006 bij Boeijenga uitgegeven). En in de bewerking van zijn Hymne op. 8.
    Deze Hymne uit 1915 (uitgegeven 1917 bij Seyffardt) is zo niet zijn chef-d'œuvre, dan toch een van zijn mooiste werken. Oorspronkelijk geschreven voor viool en orgel (of harmonium), werkte Kint in 1938 de Hymne om voor viool en orkest (onuitgegeven, pas eind 2008 bij Boeijenga verschenen). Die partituur geeft ons enig idee van de manier waarop Kint de begeleidende orgel- / harmoniumpartij gespeeld wilde hebben. Maar tevens is bekend uit interviews met oud-leerlingen die de Hymne studeerden en op les door Kint op piano of vaker op harmonium begeleid werden, dat Kint het betrekkelijk eenvoudige accompagnement speelde alsof het een echte orgelpartij of een klavieruittreksel was, kortom, hij waardeerde het accompagnement op tot een volwaardige partner van de solistische vioolpartij met behulp van de ‘trucs’ die een ervaren en handige begeleider in zijn arsenaal heeft.
    Gerard Mulder (concertmeester van het Orkest van de Omroep, evenals Kint leraar aan het Amsterdamsch Conservatorium) zou met Egbert Veen op Zorgvlied de Hymne bij Kints begrafenis spelen. Maar door stroomuitval o.i.d. kon het orgel niet bespeeld worden. Een harmonium te laten bezorgen of snel ergens te te ‘organiseren’ in Amsterdam-Zuid had te veel oponthoud en onrust met zich meegebracht, oordeelde men. Kint is op 13 juli 1944 zonder zijn Hymne begraven. Zijn nagelaten werken liggen in het Westfries Archief te Hoorn.
    Deze opname werd gemaakt tijdens een concert van de Nederlandse Händelvereniging op 7 oct. 2006 in de Grote Kerk te Naarden door Marcel Dohmen viool en RBO Sinfonia o.l.v. Thijs Kramer.
Geluidstechniek Wim Passchier.

★TOCCATA -- Thijs Kramer  
Opname van Thijs Kramer uit 1990 op het Willibrordusorgel St. Bavo Haarlem. Toccata uit Kramers orgelsymphonie 'Media Vita'.
De orgelsymphonie Media Vita voor orgelsolo werd in de jaren 1984/1985 geschreven. De gregoriaanse melodie 'Media Vita' kan ad libitum na deel IV gezongen worden. De Toccata, het eerste deel, ontstond rond 1970 (evenals fragmenten uit de andere delen). De komponist/organist was destijds van mening dat hij het stuk onvoldoende beheerste en bracht het derhalve niet in de openbaarheid. Hij beperkte zich tot twee uitvoeringen : ter gelegenheid van de inhuldiging van het Willibrordorgel in de St. Bavo Basiliek in Haarlem op 21 maart 1971, en tijdens een televisieopname van de NCRV uitgezonden op 18 januari 1972.

★CANTIQUE DE JEAN RACINE -- Gabriel Fauré
Vocoza o.l.v. Frank Hameleers / Thijs Kramer piano
Opname van 8 oct 1985, Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam.

★SONATE (der 94. Psalm) -- Julius Reubke
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Julius Reubke is geboren 23 maart 1834 te Hausneindorf en gestorven op 3 juni 1858 in het kuuroord Pillnitz bij Dresden...Hij schreef een hemel-, hel- en orgelbestormend stuk onder de vredige titel : Sonate (der 94. Psalm) für Orgel. Voorwaar een understatement ! De spanwijdte der emoties - emoties jazeker, bevinden wij ons niet in de 19e eeuw ? - ligt in de orde van een Manfredsymphonie van Tschaikowsky. En dan te bedenken dat de componist nauwelijks 24 jaar oud is geworden ...
Anders dan verscheidene scheppingen van zijn leermeester Franz Liszt of b.v. de Grande Pièce Symphonique van César Franck, is dit lange orgelwerk zeldzaam coherent. Zoon van een orgelbouwer, had Reubke de gelegenheid van bepaalde nieuwe franse speelhulpen (de tong- en vulstemmenafsluiters bijv.) op de hoogte te zijn, en de komende technische verbeteringen in de orgelbouw te voorzien.
Want hoewel Reubke's "lay out" aanwijsbaar erop gericht is de organist mee te laten registreren, doen de registratiemoeilijkheden eigenlijk niet onder voor de speeltechnische, in dit moeilijkste orgelwerk der 19e eeuw.
  .   .   . Citaat van de Gedenkplaat Sint Willibrordus Orgel - Amsterdam. ("de zwarte plaat").

Reubke, al aangetast door TBC, speelde op 17 juni1857 de première van zijn chef d’oeuvre nog zelf, op het nieuwe Ladegast orgel in de Domkirche te Merseburg. De uitvoering werd geestdriftig besproken door Karl Franz Brendel, toen hoofdredactteur van Die Neue Zeitschrift für Musik. Dit was de enige bespreking van zijn chef-d'oeuvre die Reubke tijdens zijn korte leven ten deel viel. Ook later is er weinig over geschreven, het lag niet in de markt, immers, wie kon het spelen? "Men kan onmogelijk twijfelen aan zijn buitengewone gaven als uitvoerder en componist." Maar door het hele werk heen vallen de originaliteit, de frisheid van zijn ingevingen en vooral de tomeloze erergie waarmee hj de sonate voortdrijft, dermate op, dat volgens de overlevering een toehoorder opmerkte : "Jetzt hat der Schüler den Meister erschlagen".

MARCHE TRIOMPHALE -- Jan Nieland
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Jan Nieland (1903-1963) was de eerste organist van het grote Willibrord-orgel. Marche Triomphale, een van zijn beste stukken. Merk op hoe natuurlijk het thema van het middendeel door omkering uit het thema van het eerste deel ontstaat. De fluitsolo wordt gespeeld op de Fluit Harmoniek 4' van het 3e manuaal (III).

TOCCATA -- Eugène Gigout
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Eugène Gigout (1844-1925), leerling van Saint-Saëns, schreef een Toccata waarin het thema (voornaamste bestanddeel : een dalende terts) steeds in een andere gestalte uit de klankenstroom opduikt. Na een sterk modulerende ontwikkeling met behulp van de dalende terts verschiijnt het in zijn laatste, meest geëvalueerde gedaante. De Toccata is, hiermee samenhangend één groot crescendo.

★LA PROCESSION -- César Franck
Martha Zandvliet zang, Thijs Kramer op het Willibrordusorgel te Amsterdam. Opname uit 1968.
Zowel in het onsterfelijke Panis Angelicus als in het niet minder schone La Procession heeft César Franck zijn melodieën in een contrapunctische zetting gevat. Is het in Panis Angelicus een eenvoudige canon, in La Procession ontvouwt zich in de begeleiding een fuga-expositie ! Het gregoriaanse Lauda Sion heeft Franck de muzikale bouwstoffen geleverd voor La Procession ; het is een klein wonder van vormgeving en tekstuitbeelding geworden. De eerste regel van Lauda Sion wordt gespeeld door de Fagot-Hobo van III, terwijl de inleiding van het stuk de strijkers van II tot en met de 2' laat horen.

FUGE over B-A-C-H -- Cor Kint
Opname van Thijs Kramer uit 1990 op het Willibrordusorgel St. Bavo Haarlem.
Cor Kint (1890-1944) werd geboren op 9 januari 1890 te Enkhuizen en overleed op 8 juli 1944 te Hilversum. Van ca. 1902 tot 1906 was hij organist in 'de Vermaning' in zijn geboorteplaats. In 1906 verhuisde Kint naar Amsterdam, waar hij van 1909 tot 1915 altviolist in het Concertgebouworkest en later leraar aan het conservatorium was. In 1940 ging hij bij de omroep werken. Kint was een van de oprichters van het Hollandsch Strijkkwartet (1912). Hij schreef rond 1935, toen Bachs 250ste geboortedag herdacht werd, een fuga over de naamletters van de tonen die in Bachs naam besloten liggen : B, A, C en H. Voorzover bekend is deze fuga zijn laatste orgelwerk. Het stuk draagt opusnummer 41.
Zie de website over Cor Kint.

Kommst du nun, Jesu, vom Himmel herunter -- Johann Sebastian Bach
Opname van Thijs Kramer uit 1984 op het orgel van de Petruskerk te Leiden.
Rond 1746 herschreef Bach zes koraalbewerkingen, die in zijn cantates voorkomen, voor orgel, en liet deze kleine verzameling, die met het bekende Wachet auf, ruft uns die Stimme begint, drukken bij Johann Georg Schübler. Men spreekt daarom doorgaans van de 'Schüblerkoralen'. Kommst du nun, vom Himmel herunter, dat het bundeltje besluit, stamt uit cantate 137 (±1725), waar de koraalmelodie door een altstem gezongen wordt op de tekst 'Lobe den Herrn, der Alles so herrlich regieret', met begeleiding van vioolsolo en continuo. Op het Petrusorgel wordt de koraalmelodie op de Schalmei 4' van het pedaal gespeeld.

★TOCCATA uit Symphonie V -- Charles-Marie Widor
Opname van Thijs Kramer uit 1984 op het orgel van de Petruskerk te Leiden. De uitvoering volgt de eerste druk.
Widor's Toccata in F, de Finale van zijn vijfde orgelsymphonie, wordt wel het 'inbegrip van de Toccata' (in modern Nederlands 'de moeder van alle Toccata's') genoemd. In de manualiter openingsmaten met hun aparte harmonieën en akkoordliggingen klinkt reeds het themabegin, dat door het pedaal overgenomen en in zijn geheel uitgespeeld wordt. Na een afwaarts modulerend decrescendo blijft in het intermezzo de toccata-motoriek onophoudelijk de muziek stuwen. Dit uitstapje op de nevenklavieren leidt in een crescendo tot in het hoogste bereik van de toetsen, waarna het pedaalthema weer inzet, nu in zijn meest statige vorm, zonder de aanvurende achtsten van het begin.
   De toccata gebruikt hier, op het hoogtepunt, de volledige omvang van het orgel van hoog tot laag. Groots afstandelijk als de Mont Blanc is dit visionaire toongebouw. Het ritmische schema van de eerste maat blijft met ijzeren onverzettelijkheid in het gehele stuk gehandhaafd. Maat na maat herhaalt zich hetzelfde patroon, een weergaloos ostinato, een souverein moto perpetuo zonder haast. Geschreven voor de immense ruimten van de Franse kathedralen, lijkt dit muziekstuk zich niettemin in zijn eigen dimensie voort te bewegen, de wetten van een onbekende canon volgend.
   Omdat Widor's orgel in de St. Sulpice een topprodukt uit de industriële bloeitijd was, een vernunftige machine, is niet uit te sluiten dat Widor in De Toccata machinale kenmerken, zoals het eindeloos uitvoeren van hetzelfde samenstel van bewegingen heeft willen verwerken, en de organist die over een adequate speeltechniek beschikt tot machinist heeft gepromoveerd. Een verband te zien met Kapitein Nemo van de Nautilus, bouwer en bestuurder van de Nautilus, is geen pure dwaasheid, temeer daar Nemo een piano-orgel aan boord had, waarop hij in de nachtelijke uren graag speelde.*) Jules Verne moet gefascineerd geweest zijn door de vernuftige constructies, waarlijke contrapten die de Franse orgelbouwers in de tweede helft van de 18e eeuw neerzetten. Hij was vrijzinnig katholiek, dus zal zo'n modern instrument weleens gehoord hebben. In Parijs, maar ook in Amiens, waar hij sinds 1871 woonde. Daar bouwde C.-Coll in 1889 een drieklaviers orgel. Te veronderstellen dat Widors Toccata een ode aan de techniek betreft gaat natuurlijk te ver, maar hier een verklaring te zien voor het feit dat deze muziek enerzijds als ongenaakbaar ervaren wordt en tegelijkertijd de luisteraar blijft boeien en verrassen, ligt niet geheel buiten de rede. Monotonie, hier monoritmiek, heeft vaak een bedwelmende maar soms ook een electriserende werking.
          *) Liszt had zo'n instrument, bovenmanuaal piano, ondermanuaal harmonium, manuaalkoppel, geen pedaal. Arie Cornelisse, organist van de R.K. kerk in Uitgeest, een oudoom van mij, heeft het een jaar of wat vóór 1914 in Boedapest gezien. Op Liszts vleugel mocht hij even spelen, op het piano-harmonium niet. Het is 2008-2013 gerestaureerd.
          Citaten uit de eerste druk van Jules Verne, Vingt-mille lieues sous les mers, 1870) :
p. 49 ... Un deul détail me revient à l'esprit. Pendant certaines accalmis de la mer et de vent, je crus entendre plusieurs fois des sons vagues, une sorte d'harmonie fugitive produite par des accords lointains.
p. 52 ... ses mains fines, allongées, éminemment 'psychiques' c'est-à-dire dignes de servir une âme haute et passionée.
p. 78 ... les partitions de Weber, de Rossini, de Mozart, de Beethoven, d'Haydn, de Meyerbeer, d'Herold, de Wagner, d'Auber, de Gounod, et nombre d'autres, éparses sur un piano-orgue de grand modèle qui occupait un des pannaux du salon.
——— [ Verne was voor zijn protagonist Nemo uiteraard meer geïnteresseerd in huisorgels dan in kerkorgels. Nemo was, naar Verne's opgave te oordelen, een liefhebber van opera/oratorium-aria's. Hij zal zeker Wagners Lied an den Abendstern, voor dit instrument door Liszt gearrangeerd, gespeeld hebben ].
p. 172 ... Je descendais au salon, d'où s'échappaient quelques accords. Le capitaine était là, courbé sur son orgue et plungé dans uns extase musicale.
p. 314 ... Quelquefois, j''entendais résonner les sons mélancoliques de son orgue, dont il jouait avec beaucoup d'expression, mais la nuit seulement, au milieu de la plus secrète obscurité, lorsque le Nautilus s'endormait dans les déserts de l'Océan.

★Symphonie VIII -- Charles-Marie Widor
Allegro risoluto

Widor schiep een nieuw genre, de orgelsymphonie. In 1880 begon het 1879 gedrukte stuk zijn invloed in Frankrijk uit te oefenen. Vooral de Toccata nodigde tot navolging uit :
          Widor 1879
          Dubois 1889
          Gigout 1890
          Boëllmann 1895
          Dukas, 1900, Scherzo uit zijn symfonische pianosonate

Widor kwam in november 1886 naar Nederland.

                1 8 8 6   :   W i d o r   s p e e l de   z ij n  T o c c a t a   i n   A m s t e r d a m  
    o p   h e t   C a v a i l l é - C o l l o r g e l   v a n   h e t   P a l e i s   v o o r   V o l k s v l ij t

Het is dat ik schrijf en niet spreek, anders zou ik gaan stotteren.

Widor. A Life beyond the Toccata, John R. Near.
Pag 179 ev :

image.pngimage.png

noten :

image.png

Programmering


Organists and Organ Playing in Nineteenth-Century France and Belgium, Orpha Ochse.

Deze wijze van programmeren lijkt een aanvang te hebben genomen tijdens de 'Widoriade’ in Nederland. Widor speelde in Amsterdam in de Augustinus drie delen uit zijn - toen nog - onuitgegeven Symphonie VIII, in het Paleis voor Volksvlijt zijn Symphonie V en in Den Haag, in de Waalse kerk, de Toccata en Fuga van Bach.

Op vrijdag 26 nov 1886 speelde Widor in de H. Augustinuskerk ('De Spar'), in de Spinhuissteeg te Amsterdam :
image.png
De Tijd 30 nov 1886

Op zaterdag 27 nov 1886 speelde Widor in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam :
image.png
Het nieuws van den dag : kleine courant 1 dec 1886

Op maandag 29 nov 1886 speelde Widor in de Waalse Kerk te 's-Gravenhage :

Caecilia 15 dec 1886
-- -- -- --

 
De heer Ch. M. Widor, componist en organist uit Parijs, was zoo welwillend, tijdens zijn verblijf alhier belangeloos een door ons zeer hoog geschat kunstgenot te verschaffen. Vrijdag-morgen 26 November gaf hij een orgelbespeling in de kerk van den H. Augustinus (Spinhuissteeg). Het programma bevatte alle werken van den heer Widor, en hoewel wij er geen in ons bezit hadden, werden wij toch in de gelegenheid gesteld het te kunnen vermelden. Het geheel was samengesteld als volgt : 1. Choral de la 7e symphonie en Improvisatiën op de grondstemmen. 2. a. Andante, b. Pastorale (2e Symphonie). 3. Improvisatiën over de verschillende stemmen van het orgel. 4. Transcription du 1er duo. 5. a. Andante, b. Scherzando (de la 8e Symphonie. 6. Finale de la 8e Symphonie. De nummers, 1, 5 en 8 zijn nog onuitgegeven werken.
   De inleiding gaf ons al testond het bewijs, dat aan deze compositie een groote gedachte ten grondslag lag en de bewerking, alleen voor de grondstemmen, van voortreffelijken aard was.
   In al de overige nummers van het programma bewees de heer Widor ten volle, den naam van groot componist en een de beroemdste organisten van den tegenwoordigen tijd waardig te zijn.

Zijn compositiën voor het orgel zijn degelijk bewerkt, contrapuntisch, een rijke harmonie en toch melodieus. Wij beschouwen ze, evenals die van zijn geachten en genialen collega Guilmant, als de best geschreven werken voor orgel van dezen tijd. Dat er niet alleen veel technische vaardigheid, maar ook een veelzijdige kennis der registratie voor deze werken wordt vereischt, zal ieder bevoegd beoordeelaar bij nadere kennismaking gaarne toestemmen.
 
Het effect, dat de heer Widor met zijn verschillende stemmen teweegbrengt, verleent eene groote versheidenheid aan zijn spel, en de prachtige improvisatiën op die stemmen van het orgel, welke vooraf in een streng gebonden stijl en met de meeste afwisseling werden behandeld, zullen ons nimmer het spel van dezen grooten meester doen vergeten.
   Dat dergelijke compositiën een instrument vereischen, 't welk ten volle aan het doel beantwoordt, zal wel niet worden betwijfeld. Derhalve was het kunstgenot te grooter, wijl een orgel van Cavaillé-Coll daarvoor was beschikbaar gesteld.
   Dit instrument, eenige jaren geleden in de kerk van den H. Augustinus geplaatst, voldoet geheel aan de eischen, die men in verhouding tot zijn grootte stellen kan. Wij kunnen dan ook geen lof genoeg geven aan den arbeid van den heer Cavaillé-Coll, wien wij ook het schoone instrument in 't Paleis voor Volksvlijt hebben te danken. Wij wenschen de parochie van den heiligen Augustinus geluk met zulk een kunstwerk, dat, met zijn twee klavieren en pedaal in verhouding met het aantal stemmen, het schoonste instrument is, 't welk van dien aard in ons Land bestaat.
   Wij besluiten met onzen oprechten dank aan den heer Widor en aan den zeereerw. pastoor der parochie voor hun bijzondere welwillendheid, en de gelegenheid tot het genieten van zulk een rein kunstgenot open te stellen.


De Tijd, 30 nov 1886


-- -- -- --
   MUZIKALE KRONIEK
   Concert  W I D O R

 
Zoals ik in mijn laatste schrijven aankondigde, gaf de Heer Widor, organist aan de kerk St. Sulpice te Parijs, een concert in het Paleis voor Volksvlijt. In tegenwoordigheid van een groot aantal toehoorders, vertolkte het Paleis-orkest op voorteffelijke wijze een sinfonie in A, een sérénade, eenige gedeelten uit de Opera 'Maître Ambros' en een Valse lente en Finale uit het ballet 'La Korrigane'. Daarnaast zong Mej. Lépine een ballade uit bovengenoemde Opéra, 'Nuit d'étoiles', 'Volkslied' en 'Enfants de Catane', terwijl de componist nog op het orgel voordroeg 'Sinfonie in F' en 'Allegretto'.
   Uit dit Programma ziet men, dat de toehoorders gelegenheid hadden den kunstenaar op allerlei gebied, zoowel als componist en als uitvoerende te leeren kennen. Mij was het niet mogelijk den geheelen avond tegenwoordig te zijn ; toch hoorde ik eene reeks van werken, die mij de overtuiging schonken, dat de Heer Widor in alle geheimen der kunst is ingedrongen. De hoedanigheden, die mij het meest in de werken van dezen componist troffen, zijn groote meesterschap over het technisch gedeelte (vorm, harmonie, motief bewerking en in het bijzonder de orkestratie), de eenvoudigheid en natuurlijkheid van uitdrukking en daarbij de gratie waarmede alles is bewerkt. Ik verklaar dan ook gaarne, dat dit optreden van den Heer Widor als componist mij met belangstelling voor zijne werkzaamheid en voor zijn talent heeft vervuld. Vooral wekt zijn streven sympathie, omdat hij zulk een eenvoudige, ongekunstelde taal spreekt. Hij tracht niet door diepzinnige of ingewikkelde harmonieën, door uitheemsche klankeffecten of gewrongen melodieën den indruk te wekken van een gemoed, dat door harde levenservaringen verbitterd, slechts klagende tonen of woesten hartstocht kent, of, door de veelvuldige verwikkelingen van het leven verward, slechts wijsgeerige problemen in de muziek weet uit te drukken. Neen, de Heer Widor heeft van de natuur muzikaal talent gekregen en schrijft zooals een ontwikkeld musicus met talent schrijven moet. Zijn talent neigt meer naar het bekoorlijke dan naar het grootsche, vandaar dat de werken in kleineren vorm, zooals de Ballade uit zijn Opera, zijn lied 'Enfants de Catane', het gedeelte getiteld 'Ronde de nuit' en de beide deelen uit het Ballet een grooteren indruk maken dan de oogenblikken van kracht. Trouwens wij Nederlanders, die de gevoelens van ons Germaansch karakter wel nooit zullen verloochenen, maken in de meer grootsche oogenblikken onwillekeurig een vergelijk tusschen de kunstwerken uit de Fransche en uit de Duitsche school, en zulk een vergelijk valt ten nadeele van eerstgenoemde uit. Wilden wij echter bij het hooren van Duitsche kunstwerken eens in de oogenblikken, waarin gratie op den voorgrond treedt, een zoodanig vergelijk stellen, wij zouden gewaar worden, dat te dien opzichte de Fransche school het geheel en al wint.

   De compositiën nu van den Heer Widor zijn geheel en al Fransch, en juist die eigenschap behaagt mij.
 
Ik betreurde het ten hoogste bij de sinfonie voor orgel niet tegenwoordig te zijn ; daardoor was ik niet in de gelegenheid den Heer Widor in zijne volle kracht als organist te waardeeren. In het Allegretto toch werd door dezen bekwamen kunstenaar slechts eene zijde van zijn talent ontwikkeld.
   Ook als directeur maakte deze kunstenaar een zeer goeden indruk. De groote mate van rust en duidelijkheid mag aan iederen directeur tot voorbeeld strekken. Daaruit make men niet op, dat in de uitvoering iets kouds of afgemetens lag ; het tegendeel is waar ; de Heer Widor wist de uitvoerenden te bezielen. Dank zij de voortreffelijke leiding en dank zij de groote mate van intelligentie van de leden van het Paleis-orkest, gelukte de uitvoering bijzonder goed. Er waren oogenblikken van buitengewone schoonheid, er waren in de soli hier en daar bewijzen van groot talent. Niemand wil ik afzonderlijk noemen, want vele uitvoerenden zou ik moeten opsommen. Liever dank ik allen zonder onderscheid voor deze uitvoering ; er lag voor mij een groot genot in het orkest zoo artistiek te hooren voordragen.
   Mejuffrouw F. Lépine, solo-zangeres van het conservatorium te Parijs, droeg zeer veel bij tot het goed gelukken van deze avond. Haar schoon sopraan-geluid, haar goede school en hare bijzonder gekuischte voordracht verdienen grooten lof. Niet vaak hoort men op deze wijze de werken uit de Fransche school vertolken. Te verwonderen vond ik het dan ook niet, dat de toehoorders de Ballade uit Maître Ambros ten tweede male verlangden. Aan dit verlangen werd door Mejuffrouw Lépine welwillend voldaan. Ook na de liederen was het succes dezer zangeres zeer groot ; ik vermoed zelfs, dat menigeen 'les Enfants de Catane' ten tweed male begeerd zou hebben. De aandacht dient op deze jeugdige verschijning gevestigd te blijven, vooral wanneer men bedenkt dat Fransche concert-zangeressen zeer schaars zijn.
   Ik eindig met de verzekering aan den directeur van het Paleis voor Volksvlijt, dat hij ongetwijfeld door dit concert aan vele muziekliefhebbers een avond van groot kunstgenot heeft verschaft. Wij zijn hier te lande te weinig bekend met de kunstuitingen der Fransche school buiten het dramatisch gebied.
   De Heer Widor nu is juist een geschikt kunstenaar om ons de eigenaardigheid van het niet dramatisch gebied te leeren liefhebben, en daardoor te leeren waarderen. Ongetwijfeld zal zijn optreden hier niet zonder invloed zijn en zeker zal men het in onze hoofdstad niet licht vergeten. Als zoodanig mag men het concert van Zaterdag ll. tot de gebeurtenissen in dit seizoen tellen.

DAN. DE LANGE.

Het nieuws van den dag : kleine courant, 1 dec 1886

-- -- -- --

                    Kranteknipsel 1972